I: Onvervreemdbaar
We waterden vrijuit met de wind mee
in wat leek op het München van Corinth
maar de stad viel vastberaden uiteen tot
in de ijzertijd waar wrede getuigen elkaar
tijdens duistere offerandes snel betaalden
met regenboogschoteltjes. Het bliksemde.
II: Kleine kroniek
Iemand sprak mij zeer eerbiedig aan
met ziener, en zegde dat ik denkelijk
wel eenzaam wezen moest. Ik streek
mijn trouwe merrie door de manen
en glimlachte bemoedigend. Van de
nacht de wanen zijn mij immers niet
gans vreemd, gedrag van zachte vogels
wordt me door de maan verklaard. Dat
de kleine karekiet bijvoorbeeld nestelt
in moeras terwijl de tjiftjaf liever woont
in bossen. Geen zien noem ik dat, maar
weten. Hoe ze heten hoort erbij. Wat ik
ook nog zeggen wou is hoe ik hou van
de kale luister van bongerds in de herfst
en verder nog dat bloed geen kou kent.
III: Verklaringsmodel
Onder het stralende licht was het reeds
duidelijk: de ouden zongen als het hart
van de tijd. Als het hart van de tijd, ja.
Van de ondoorzichtige talen die gonsden
door de wouden doorgrondden zij snel
de erfwoorden, trouw als thee aan China.
Op uitnodiging van Philippe Cailliau geschreven
voor nummer 40 van De Vallei, Antwerpen, 2019
